beestenboel·buitenleven·Indische loopeenden·loopeenden

About last time…

het stukje over onze wei en de rust die deze me geeft?

Nope. 

Weg. 

In een zucht en een vloek.

Een tijdje geleden alweer ( tjonge, wat kunnen de dagen soms omvliegen!) loop ik naar achteren, naar de wei. Zoals iedere morgen. Wanneer ik de poort open doe, sta ik stijf van schrik. En word ik zo ontzettend verdrietig… Onze allerlaatste, mooie grijze bejaarde kip ligt met een groot opengereten borstje op de grond. Aangevreten. En overal veren. Echt overal.

Ineens moe tot in mijn botten sta ik daar een tijdje. Er is geen beweging in me te krijgen. Maar de eendjes snateren dat ze het hok uit willen en de ganzen kijken me verwachtingsvol aan. Honger. Waar blijft ons eten? Ik laat Kippie maar even liggen waar ze ligt en doe mijn ding. Alle bakken schoon water. De voerbakken vullen met kippenvoer, de ironie. Oud brood als snackje uitdelen aan de ganzen, wormpjes aan de eendjes. Even bij de bijen kijken of alles vliegt. Maar uiteindelijk blijft daar dat feit van het dooie kippetje. En verdrietig begin ik aan deze opruim-taak. Het enige positieve hiervan is dat ik haar nu niet hoef te gaan ophokken. Want dat moet ook alweer.

Een roofvogel dus. Welke kan ik nu niet zeggen. Wel dat hij Kippie goed in de gaten heeft gehouden want ze was heel erg voorzichtig. Altijd ergens onder schuilend. Behalve wanneer ze me naar de wei toe hoorde lopen. Ze wist dan dat ik iets lekkers voor haar bij me zou hebben. En dan kwam ze alvast naar de poort. Ze heeft waarschijnlijk wat rond gerommeld bij de poort wachtend op mijn komst. En daardoor wat minder alert.

De dagen gaan voorbij en ik mis onze kip. Maar ‘het’ coronavirus overvalt me onverwacht en een paar dagen lang ben ik tot niets anders in staat dan in bed liggen en het vooral heel erg warm, heel erg koud, veel pijn in mijn spieren hebben, zweten en nog wat meer onsmakelijke dingen. 

Tot manlief naar boven komt na het voeren en me met betraande ogen staat aan te kijken. Hij weet dat dit bericht me veel verdriet zal doen. Hij kan maar één woord uitbrengen. Maar het is genoeg. Ik wankel het bed uit en ren naar buiten. Dat rennen ziet er meer uit als van links naar rechts tegen de muur vallend. me vastgrijpend en weer door wankelend maar het gaat om het idee. Ik moet naar buiten. Zo snel mogelijk. Alsof ik daar nog iets van waarde zou kunnen doen.

Ik sta aan de poort. Alweer. Mijn armen vallen machteloos naar beneden. Achter me staat manlief te snotteren. Voor me ligt Obertje, in een wolk van hele kleine eendenveertjes. Ik heb geen energie meer om boos te worden. Zelfs het verdriet lijkt me niet te bereiken. Maar er is alweer een grote hap uit mijn hart genomen.

Het beest heeft blijkbaar alle tijd gehad. Obertje lag net uit onze zichtlijn, achter de beukenhaag. De voorkant en achterkant zijn weggevreten. De roofvogel heeft zijn buikje in ieder geval gevuld voor vandaag. 

Ik weet nu ook wie de dader is. Sinds Kippie ben ik wat meer bedacht op het roofvogelverkeer en de eventuele risico’s voor onze weidevogels. Het is een havik. Ik heb hem geregeld over zien vliegen. Erger nog. Hij woont in de hoge bomen achter onze wei. En heeft dus inderdaad alle tijd van de wereld om onze beestjes te bestuderen. Maar omdat de eendjes altijd bij de ganzen in de buurt lopen, we kraaien hebben als waakhonden en de eendjes zelf heel erg op hun hoede zijn en altijd rond lopen met een steelse blik naar boven, verdween mijn ongerustheid een beetje naar de achtergrond. Onterecht zoals nu blijkt.

Blondie en Broene moeten deze droevige dag in het nachthok doorbrengen. Onder protest maar de energie ontbreekt om nu iets anders te verzinnen. Obertje leggen we voorlopig even apart om haar later te begraven onder de kastanjeboom. Wanneer deze hoognodige taken gedaan zijn kruip ik weer in bed. Door de koorts dringt nog niet echt alles tot me door. Maar dat zal ongetwijfeld later nog gaan gebeuren.